Column van Asjha vd Akker en Ed Langermans

Lunch bij Lipp…
Wat wil je voor je verjaardag?’, vroeg ik een tijdje geleden aan mijn man. ‘Lunch bij Lipp’, kreeg ik in een nanoseconde als antwoord. En zo komt het dat we op weg naar de Dordogne, waar we de feestdagen doorbrengen in ons vakantiehuis, eerst gaan lunchen bij brasserie Lipp op de Boulevard Saint-Germain in Parijs. Leonard Lipp opende de zaak in 1880 en zijn zuurkoolschotel was in no-time vermaard in de stad. De brasserie is in 140 jaar weinig veranderd en ziet eruit zoals je hoopt dat een Franse brasserie eruitziet: buiten een grote luifel met de naam van het restaurant en daaronder een goudkleurige standaard met het menu. Binnen ligt nog steeds de oude tegelvloer – tenminste, dat zou ik graag geloven – en op de strak naast elkaar geplaatste, kleine tafels ligt wit linnen. Achter die tafeltjes neemt een lange bank de hele lengte van de muur in beslag, ervoor staan doorleefde, houten stoeltjes en aan het hoge, donker beschilderde plafond hangen art deco-lampen. De bijna-allemaal-op-leeftijd-obers lopen in een zwart pak, wit overhemd, zwart giletje en zwart vlinderdasje afgemaakt met een witte sloof. We hebben onze gereserveerde plek gekregen. De kleine tafel wordt door een vriendelijke ober voor ons opzij geschoven zodat Ed op de bank plaats kan nemen en ik tegenover hem op een stoel. Via de vele spiegels die achter Ed aan de muur hangen, overzie ik de bar en de rest van de zaak. ‘Niet meteen kijken’, zeg ik tegen Ed en ik weet precies wat er nu gaat gebeuren. Zijn ogen flitsen direct als een dolle door de brasserie op zoek naar bekenden uit Nederland, bezoekers met een bizarre outfit, zwijgende stellen waar de fut uit de relatie is of vrouwen met een pittig kort auberginekleurig kapsel. Ed ziet niks en vragend kijkt hij me aan. ‘Niet direct kijken’, zeg ik nog een keer, ‘maar ik ben heel nieuwsgierig naar wat die mevrouw naast me heeft besteld.’ Ik zit elleboog aan elleboog met een chique geklede dame. De obers behandelen haar als een oude bekende, ik gok dat ze een Parisienne is. Tegenover haar zit een jong stel, dicht tegen elkaar aan. Of hij of zij is een kind van haar want er hangt een vertrouwde, intieme sfeer tussen deze drie. Ed kijkt ongegeneerd naar het oude, gebruikte ovenschaaltje dat voor de dame op tafel staat en waar iets crèmekleurig met een bruin korstje in zit. Ik gluur uit mijn ooghoeken ook nog een keer naar dat ovenschaaltje en bedenk dat ik dit eigenlijk het liefst mee naar huis zou nemen. De vrouw voelt dat we kijken en draait haar hoofd mijn kant op. Oh god, zou dit nou zo’n arrogante Parisienne zijn die losgaat over het respecteren van haar privacy? En waarom we niet gewoon voor ons kijken? Nee hoor. Niets daarvan. Ze glimlacht heel vriendelijk naar me en wijst naar het bestek dat voor mij op tafel ligt en biedt haar schaaltje aan zodat ik er een hap van kan nemen. Ik sla beleefd af, ik ga echt niet in iemands schaaltje zitten rommelen. Maar ze dringt aan. ‘Wat is het precies?’ vraag ik terwijl ik mijn vork in haar ovengerecht steek. ‘Brandade de morue’, antwoord ze. ‘Ah! Merci madame’, zeg ik, in de hoop een gezicht te trekken waaruit blijkt dat ik natuurlijk precies weet wat brandade is, maar ik heb geen idee. Volgens Ed is het iets met aardappelen en vis. Als de ober ons vraagt of we onze keuze hebben gemaakt, bestel ik met de vanzelfsprekendheid van een doorgewinterde brasseriebezoeker natuurlijk de brandade de morue. Ik krijg een goedkeurend knikje van zowel de ober als van mijn elleboogbuurvrouw. Een snelle zoektocht op mijn telefoon onder tafel leert mij iets wat Ed allang wist: brandade is inderdaad een puree gemaakt van vis en andere ingrediënten zoals aardappel, knoflook en olijfolie. Brandade de morue wordt gemaakt met stokvis. De brandade is heerlijk, het is troostvoer, hartig en met een lekker bruin korstje, precies waar ik op deze koude dag in Parijs zin in had. Ondertussen kijken Ed en ik rond in de overvolle brasserie; het is spitsuur, want lunchtijd, en lekker lawaaierig. De obers lopen af en aan, roepen naar elkaar dat de Îles flottantes op zijn – dan maar de mousse au chocolat, denk ik – maar ondanks de drukte heeft onze ober toch nog tijd voor een praatje met ons. Ik geniet van het eten, van de ambiance, de gezellige drukte en mijn gezelschap. Ed heeft een mooie rode wijn besteld die goed smaakt bij mijn brandade en zijn cassoulet. En we brengen nog maar eens een toost uit op het leven want we vieren niet alleen Ed’s verjaardag, maar ook de mijne. De dame naast me staat inmiddels met haar jas aan in de deuropening, ik vang haar blik in de spiegel, ze knikt nog even vriendelijk.


Over het leven in een Frans dorpje…

Als je het aan mij zou overlaten, zou ik een stadje kiezen met een historisch centrum, wat winkels, een paar leuke restaurants en een charmante chambre d’hôte om te overnachten. Maar ik laat het aan Ed over en daarom stoppen we onderweg naar Campagnac-Lès-Quercy in Sancerre. Daar is zeker een historisch centrum, er zitten een paar winkels en we hebben inderdaad een leuk hotelletje, maar dat is niet de reden dat we daar stoppen. We stoppen voor de wijn. 
Ed schrijft al een paar jaar over wijn en als hij in de buurt van een wijnfles, wijnkaart, wijnwinkel of cave verkeert, metamorfoseert hij in Vinitorix: een fictieve wijnvorser die als kind in een vat met wijn is gevallen.
’s Avonds bestellen we bij het diner een mooie fles Sancerre en Vinitorix informeert bij de eigenaresse of zij toevallig weet of we domein Zus-en-me-Zo in het buurdorp Pouilly-sur-Loire kunnen bezoeken. De eigenaresse draait haar ogen dramatisch richting het plafond, schudt meewarig haar hoofd en puft wat tussen de gestifte lippen. Moeilijk dus. Even later komt ze terug met informatie. Non. Ze ontvangen bij het domein alleen op afspraak. We krijgen nog wel een kaartje van haar, waarop zij het telefoonnummer van het domein heeft geschreven. Samen met het verzoek om te zeggen dat wij ‘chers clients’ van haar zijn, dan lukt het vast wel met het maken van die afspraak.
De volgende ochtend, Vinitorix heeft een wijnboerenroute uitgestippeld, staan we om kwart voor tien bij de eerste wijnboer in Sancerre op de stoep. Ik heb de croissantkruimels nog in mijn mondhoek hangen, bij de wijnboer zitten ze op zijn trui. Terwijl hij de slaap uit zijn ogen wrijft, heet hij ons welkom. Het is tien uur als ik de eerste slok wijn in mijn mond heb, een persoonlijk record. Alle slokken, van de proeverij van vijf wijnen, worden keurig door mij uitgespuugd. Eentje per-ongeluk-expres niet. Daar nemen we dus twee flessen van mee.
Omdat we met twee auto’s op weg zijn naar de Dordogne en ik keurig achter Ed aanrijd, hoor ik pas bij de volgende stop dat we toch bij domein Zus-en-me-Zo zijn gearriveerd. 
‘Hè? Zij zijn toch dicht en ze ontvangen toch alleen op afspraak?’ vraag ik.
‘Ja. Dus. En?’ zegt Vinitorix, terwijl hij met een grijns op zijn gezicht een deur opendoet en vrolijk ‘Bonjour madame’ roept tegen een streng kijkende blondine. 
We staan midden in het kantoor van domein Zus-en-me-Zo. De wijnboer van dit domein maakte fantastische wijnen maar kwam in 2008 nogal tragisch aan zijn eind door een vliegtuigongeluk boven de regio Cognac (als je dan toch ergens moet neerstorten…). Zijn zoon nam de boel over en de hele wijnwereld hield de adem in: zou hij het niveau van zijn vader kunnen evenaren? Adem uit: zoonlief heeft gelukkig voor negenennegentig procent het talent van paps. 
Inmiddels heeft Vinitorix de prijslijst bij de strenge blondine los weten te peuteren. Even denk ik dat de getallen naast de wijnen serienummers zijn. Dan zie ik eurotekens staan en hoop ik dat het bedrag op een doos met zes flessen slaat. Helaas. 
De charme van Vinitorix werkt: bij hoge uitzondering mogen we een paar flessen kopen. Maar… ze hebben geen pin. Mooi, denk ik, dan kopen we niks, dat scheelt weer een slok op een borrel. Maar dan herinnert Vinitorix zich dat wij – die nooit cash geld op zak hebben – gisteren allebei gepind hebben. We kunnen er net twee flessen mee afrekenen. 
‘Maar ik dacht dat we lekker veel wijn voor de zomer gingen inslaan, vraag ik, als we met de twee flessen terug naar de auto’s lopen.
‘Gaan we ook doen’, zegt Vinitorix geheimzinnig.
De volgende stop is bij een cave waar we vorig jaar al eens zijn geweest. Ik heb een slecht geheugen voor namen van wijnen, druiven en domeinen, maar bij binnenkomst herken ik tot mijn vreugde al een paar vertrouwde etiketten. 
Een kwartier later biedt de dame achter de balie aan om het karretje met de vijf volle dozen naar de auto’s te rijden, maar Vinitorix heeft toverenergie als het wijn betreft en doet het zelf. We krijgen nog fles wijn cadeau en worden nog net niet uitgezwaaid. 
Ik stap in mijn auto. Vinitorix in de zijne. Ik ga de komende honderden kilometers genieten van het landschap, de muziek en het vooruitzicht straks weer ‘thuis’ te zijn. Ik weet dat Vinitorix maar één gedachte heeft: welke fles gaan we vanavond als eerste opentrekken? 
Laat de zomer maar komen, wij zijn er klaar voor.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.